Bougin, Cobb en Newhouse

Een tweede Blenheim komt een klein jaar later in Oegstgeest terecht, op de grens met Leiden, bij de Nachtegaallaan. Hij komt uiteindelijk tot stilstand in een van de kassen van de Stads Kweektuin. Het is Tweede Paasdag, 14 april 1941, als de bommenwerper van 21 Squadron om 15.14 uur opstijgt van de basis bij Watton in Norfolk. Het squadron verblijft daar sinds oktober 1940 voor aanvallen op doelen in de vijandelijke kustgebieden. Aan boord van het toestel is in de eerste plaats de piloot, die ook het commando heeft, Sergeant Edgar Newhouse. Hij is nog maar 18 of 19 jaar: het feit dat in zijn ‘Casualty Details’ geen leeftijd is opgenomen, betekent dat de Engelse legerautoriteiten, praktisch als zij waren, toen hij zich aanmeldde zijn geboortedatum niet hebben genoteerd, opdat niet duidelijk zou worden dat hij toen nog niet de minimumleeftijd van 18 jaar had. Naast hem wordt het vliegtuig bemand door radiotelegrafist/boordschutter Sergeant John Montague Charles Bougin. Hij is de 26-jarige zoon van William Charles en Florence E. Bougin en is getrouwd met Hilda Mary Bougin-Thomas.

 

Ze wonen in Wollaton Park, Nottinghamshire, Engeland. Tenslotte is er het derde bemanningslid, waarnemer Sergeant Victor Albert Cobb, 22 jaar oud en zoon van Albert Victor en Ethel May Cobb. Hij is ook getrouwd, met Kathleen Violet Ethel Cobb, en zij wonen in East Ham, Essex, Engeland. De opdracht waarmee ze naar Holland vliegen, is het bombarderen van de elektriciteitscentrale in Leiden of Haarlem.

Een lichte bommenwerper van het type Bristol Blenheim IV.

Duitse begrafenis met militaire eer    

Tegen 17.00 uur stort het vliegtuig neer, de oorzaak is nooit precies duidelijk geworden. De Duitse annalen spreken elkaar tegen: mogelijk heeft het luchtafweergeschut de Blenheim neergehaald, waarschijnlijk was een jachtvliegtuig verantwoordelijk. Duidelijk is wel dat de bemanning het niet overleeft. Zij worden op 17 april 1941 met militaire eer begraven naast de inzittenden van de eerste Blenheim. Op dat moment is alleen de naam van Bougin bekend; de andere twee worden begraven met ‘Unknown Flyer R.A.F.’ op hun kruis.

Hilda Bougin is dan in verwachting van een dochter, die enkele maanden later wordt geboren en de naam Hazel krijgt. Het meisje heeft haar vader dus nooit leren kennen. Precies vijftig jaar na de begrafenis zal ze met haar man naar Oegstgeest komen om haar vader te bezoeken. In de jaren daarna zal ze dat diverse keren herhalen om de jaarlijkse herdenking mee te maken. Als ze later zelf overlijdt, zal haar echtgenoot, Chris Gough, die zijn schoonvader vanzelfsprekend ook nooit heeft gekend, de bezoeken aan het kerkhof voortzetten.

 

Net als van de bemanning van de eerste Blenheim worden op 30 juli 1942 de stoffelijke overschotten en kruisen verplaatst naar de graven waar zij nu nog liggen.

Hazel Bougin
Fifty years on seemed an appropriate time to make the pilgrimage to Oegstgeest, which is about a mile north of Leiden, Holland, to the grave of Sgt J.M.C. Bougin RAFVR. How to give due deference to the grave of a man she had never met? Hazel approached her forthcoming holiday with a certain amount of, not quite trepidation, more an uncertainty of her own emotions. Her fears were groundless; yes, it was a moving experience but very worthwhile and the remainder of the wonderful holiday was to be a delight to record for posterity.

Uit ‘Thatched roofs and swans’, A journey in Holland and Germany, Hazel & Chris Gough 1991

De graven van de drie vliegers met houten kruisen; de namen van de piloot en de navigator zijn dan nog niet bekend.

 

Rechts: Radiotelegrafist/boordschutter John Bougin.

 

De huidige drie grafzerken.

Burgemeesters in oorlogstijd
   

De drie Engelsen zijn dus op 17 april 1941 begraven bij het Groene Kerkje. De burgemeester, A.J. van Gerrevink, moest ervoor zorgen dat dit gebeurde; de Duitse Ortskommandant nam (toen nog) de militaire eer voor zijn rekening.

Burgemeester A.J. van Gerrevink bij een latere herdenking.

 

Van Gerrevink was bij de begrafenis aanwezig zonder een rol te spelen. De volgende dag werd hij bij de Ortskommandant ontboden. Hij werd gearresteerd, een week in het soldatencachot op Valkenburg opgesloten en daarna overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen, het ‘Oranjehotel.’ Het is nooit duidelijk geworden waarom hij is gearresteerd. Er gingen hardnekkige geruchten dat hij bij de begrafenis een toespraak zou hebben gehouden waarbij hij de loftrompet had gestoken over de drie Engelse vliegers. Maar zo was het niet, hij had geen officieel woord gezegd, hij was alleen maar gaan kijken of alles goed ging. Hij zou gezegd hebben: deze graven zullen wij echt wel onderhouden, met de nadruk op deze, en daarmee bedoeld hebben dat hij dat niet zou doen met de Duitse graven die er ook lagen. Maar ook dat was niet zo. Hoe dat echter ook zij, op 14 mei 1941 werd hij vrijgelaten en ging hij weer aan het werk.

Op 15 juli 1942 werd burgemeester Van Gerrevink vervangen door de NSB’er O.L.J. Sikkens. Loco-burgemeester T. van Egmond van de Anti Revolutionaire Partij (die later is opgegaan in het CDA) moest de nieuwe burgemeester installeren. Hij had hier grote moeite mee, maar weigeren zou niets oplossen, integendeel. Van Egmond zou daarom de nieuwe ambtsdrager de ambtsketen volgens de regels omhangen. Hij bereidde zich er terdege op voor. Hij wees in zijn toespraak nadrukkelijk op de taken die een burgemeester heeft ten aanzien van alle leden van de bevolking, niet alleen die van een kleine groep. En bij het bij Sikkens omhangen van de ambtsketen sprak de gereformeerde Van Egmond de woorden: ‘Jezus Christus zal in Zijn dag u rekenschap vragen van het volbrengen van uw taak.’
Burgemeester Van Gerrevink werd op 5 mei 1945 in zijn ambt hersteld; Sikkens werd drie dagen later door de BS gearresteerd en afgevoerd; Van Egmond werd tot ereburger van Oegstgeest benoemd.