Jan Pieter Hendrik van Gilse

 

Jan Pieter Hendrik van Gilse, op 11 mei 1881 geboren in Rotterdam, is een eigenzinnig en tegelijk gevoelig mens. Hij is musicus: componist en dirigent. Na zijn studie aan het conservatorium van Keulen schreef hij diverse composities en werd hij dirigent van de opera van Bremen en later tweede dirigent van de Nederlandse Opera. Vervolgens verbleef hij geruime tijd in Rome en München, waar in 1912 en 1916 zijn twee kinderen werden geboren, Jan Hendrik en Maarten. Hij was in 1909 getouwd met de Arnhemse Alida Henriëtte Hooijer. In 1917 werd hij benoemd tot dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest. Hij stelde alles in het werk om dit ensemble zowel organisatorisch als muzikaal op een hoger niveau te brengen en werd door musici en publiek op handen gedragen. Hij ondervond echter ook veel tegenstand, onder meer door de uiterst scherpe en vaak onredelijke recensies van de muziekrecensent van het Utrechts Dagblad, de jeugdige componist Willem Pijper. Hij verliet Utrecht en leefde daarna van gastdirecties en composities, waarvan er enkele in Duitsland zijn uitgegeven. Hij woonde enige jaren in Berlijn, maar verhuisde weer naar Utrecht, later Amsterdam toen Hitler aan de macht kwam. Van Gilse stond aan de wieg van het Bureau voor Muziekauteursrechten BUMA en van een instelling die zich beijverde composities van levende componisten uit te voeren. Verder is hij grondlegger en voorzitter van het Genootschap van Nederlandse Componisten, dat later de ‘Jan van Gilse-prijs’ zal instellen.

 

Graf van Jan van Gilse, met het kunstwerk van Mari Andriessen.

Verzet en onderduiken    

Jan van Gilse.

 

Nu is het oorlog. Van Gilse is al in de zestig. De oorlog vreet aan hem. Hij kan er niet tegen, zoals hij nooit tegen onrecht heeft gekund. Hij schrijft, met anderen, een protestbrief tegen het cultuurbeleid aan Reichskommissar Seyss-Inquart en vormt samen met zijn zoon Maarten, die journalist is, en de beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen de eerste redactie van het illegale blad ‘De Vrije Kunstenaar’. Hij maakt zijn in 1937 begonnen werk aan een opera af, met als hoofdpersoon Thijl, die zich in de Tachtigjarige Oorlog verzet tegen de Spanjaarden. De parallel laat zich gemakkelijk trekken. Van Gilse weigert zich bij de voor artiesten verplicht gestelde ‘Kultuurkamer’ aan te sluiten. Uitvoering van zijn composities wordt verboden, de reeds aangekondigde uitvoering van de treurmuziek uit Thijl in het Amsterdamse Concertgebouw gaat niet door, en uiteindelijk worden zijn manuscripten en de bladmuziek van zijn composities in beslag genomen. Ook wordt hij uit zijn vele functies in de wereld van de klassieke muziek gezet. Van Gilse moet begin 1942 onderduiken, gaat van adres naar adres en sleept overal de partituur van Thijl mee, uit angst dat deze verloren gaat. Jongste zoon Maarten, die zich heeft ontwikkeld tot specialist in het fabriceren van valse persoonsbewijzen, wordt op 1 oktober 1943 in Amsterdam met andere verzetslieden door de Duitsers gefusilleerd als represaille voor de liquidatie van generaal Seyffardt. Hij ligt begraven in Overveen. Zoon Jan Hendrik, die reclametekenaar is maar vooral leider van een sabotagegroep, slaagt erin zijn eigen vrouw te bevrijden uit de gevangenis van Arnhem, maar wordt kort daarna opgepakt, waarna hij op 28 maart 1944 in Den Haag wordt doodgeschoten. Zijn graf is nooit gevonden.

Ziekte en overlijden    

In mei 1944 duikt Van Gilse met zijn vrouw voor de tweede keer onder in het huis van prof. Escher, dat afgelegen ligt aan de Dorpsstraat in Oegstgeest. De partituur van Thijl is achtergebleven op een vorig onderduikadres in Nunspeet, waar enige tijd later alle bewoners gevangen worden genomen. Een verzetsstrijder kan nog net de partituur uit het huis redden alvorens dit door de Sicherheitsdienst wordt doorzocht. Het is Pieter Bastiaan Jan IJzerman, of diens zoon Abram Arie; beiden zijn nadien opgepakt en op 2 maart 1945 in Varsseveld gefusilleerd.

Deze en andere ervaringen hebben Van Gilse’s gezondheid ernstig aangetast. Hij wordt in augustus 1944 met kanker opgenomen in het Diaconessenhuis, onder de op zijn persoonsbewijs staande naam Johan Willem Dudok van Heel.

  Het ziekenhuis was toen uitgeweken naar het Zendingshuis, nu het oudere deel van de appartementengebouwen in het Hendrik Kraemerpark; het eigen gebouw van het Diaconessenhuis aan de Leidse Witte Singel was door de Duitsers gevorderd als ‘Ortslazarett’, in feite legerhospitaal. Op 8 september van dat jaar overlijdt Van Gilse, eigenlijk aan een gebroken hart. Op 12 september wordt hij onder zijn schuilnaam begraven bij het Groene Kerkje.
Pas een half jaar na de oorlog doet Dr. Rooseboom aangifte van het overlijden onder Van Gilse’s werkelijke naam. Nog later maakt zijn vriend Mari Andriessen, die diep in het Haarlemse verzet zat en later de beeldhouwer was van ‘De Dokwerker’ in Amsterdam, een grafmonument voor hem: een gebroken man aan wie het zwaard ontvalt maar die de lier nog hoog houdt. En nog veel later wordt Van Gilse’s vrouw Ada bij haar man begraven.

 

De voormalige woning van prof. B.G. Escher, waar Jan van Gilse tot zijn dood zat ondergedoken.

Huize Escher

Het was een centrum van verzet, die ruime oude pastorie, stil gelegen aan de Pastoorswetering, een eind achter woongebouw ‘De Roode Leeuw’. Tegenwoordig heet het daar Groenhoevelaan.

Het huis was door de vorige eigenaar de Japanse naam ‘Mukashi’ gegeven, wat zoiets als ‘goeie ouwe tijd’ betekent, maar die was door de nieuwe eigenaar grondig weggeschilderd. Dat was de geoloog prof. Berend George Escher, de oudere halfbroer van de graficus Maurits Escher.

Prof. Escher stond vooraan in het verzet van de Leidse Universiteit en is daarom een half jaar als gijzelaar gevangen gezet in Haaren. Na de oorlog werd hij rector magnificus, in welke hoedanigheid hij op 10 mei 1946 de bul van het eredoctoraat uitreikte aan Sir Winston Churchill. Jaarlijks werd op 8 februari de diesviering van de Universiteit door een select gezelschap in huize Escher gehouden.

 

Daartoe behoorde prof. Johan Huizinga, auteur van ‘Herfsttij der Middeleeuwen’. In 1942 werd de 70-jarige cultuurhistoricus nog door studenten per slee van de Raadsherenbuurt, waar hij woonde, via de Dorpsstraat naar huize Escher vervoerd. In augustus van dat jaar werd hij gegijzeld in St. Michielsgestel. Na een paar maanden werd hij vrijgelaten, met het verbod om naar het westen terug te keren. Hij overleed in februari 1945 in het huis van Cleveringa in De Steeg, en werd bij het Groene Kerkje begraven.

De Van Gilses waren bevriend met de 31-jarige componist Rudolf Escher, zoon des huizes; zo hadden zij met prof. Escher kennis gemaakt. Deze zat in 1944 zelf ondergedoken in Ginneken. Thuis bij Escher was wel diens nicht, de verzetsstrijder Dr. Mies Rooseboom. Zij leidde na de oorlog generaties biologiestudenten op en werd directeur van het Museum Boerhaave; voor de oorlog woonde zij tijdens hun studententijd met Prinses Juliana in Katwijk.